Anne van Dalen | Geld toen en nu
15819
post-template-default,single,single-post,postid-15819,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,vertical_menu_enabled,qode-title-hidden,qode-content-sidebar-responsive,transparent_content,qode-theme-ver-10.1.2,wpb-js-composer js-comp-ver-5.1,vc_responsive

Geld toen en nu

 
Een duik in het verleden, naar de website van de zwerfafvalreis om te herontdekken dat de term ‘je geld of je leven’ zich bij mij vier jaar geleden al aankondigde, in een blogbericht van 6 februari 2014 om precies te zijn. Net als in mijn huidige kunstproject waren het ook toen individuele sponsors die mogelijk maakten dat ik kon doen wat ik deed. En net als nu maakte die hardloopreis door Nederland het noodzakelijk om te na te denken over de rol die geld speelt in ons (mijn) bestaan. Dit is wat ik er toen over schreef:
 

Annelooptlangzaamhard. 6 februari 2014 > GELD. Sta mij toe u mee te nemen op een korte reis. Een reis waar kinderhandjes gauw gevuld worden, pubers bijbeunen, jongvolwassenen lanterfanten en professionals zich een breuk werken om tot de slotsom te komen dat het ook anders kan.
 

Onze kijk op geld is gekoppeld aan het werkwoord verdienen. Een mens moet werken en zijn geld verdienen is de algemeen geldende regel. Aan die norm heb ik me net als u en vele anderen geconformeerd. Als kind werd ik vanuit die gedachte keurig geconditioneerd met zakgeld dat me door mijn ouders onthouden werd als ik niet braaf was, want voor wat hoort wat en wie betaalt bepaalt. Als tiener werd het zakgeld uitgebreid met kleedgeld. De naam verraadt het al, die (toen nog) guldens zijn geoormerkt en feitelijk bedoeld om m’n moeder te bevrijden van het eindeloze gezeur van “al mijn kleren zijn stom”. Ouders denken (terecht) dat ze er goed aan doen om hun kroost te leren omgaan met de lasten en de lusten die het bezitten van geld met zich meebrengt, maar er zit een keerzijde aan. Eenmaal de smaak te pakken dreef geldhonger me de boer op. Zomervakanties bracht ik op m’n knieën door tussen de aardbeienbedden, veilingkistje na veilingkistje vullend conform instructie “alleen de rode, mét kroontje, niet knijpen en niet kletsen!” De zoete verdiensten gingen op aan sigaretten, make-up en prullerige sieraden. Tegen de tijd dat ik de middelbare school verliet was de jeugdwerkloosheid sinds de crisis van de jaren ’30 niet zo hoog geweest en zou de jaren erna alleen nog maar stijgen. Voor mij en mijn generatiegenoten was er de RWW uitkering. Gratis geld in ruil voor sollicitatieplicht en wekelijks bezoek aan het arbeidsbureau waar de betreffende ambtenaar de moed had opgegeven om me aan een niet-bestaande baan te helpen. Ik was 18, woonde goedkoop op kamers en deed weinig anders dan luieren en feesten. Het waren gouden jaren.

 
Als ik het dorp uit trek trekt de economie aan. Den Haag biedt zicht op arbeid en in de functie van ongediplomeerd bejaardenhulp krijg ik mijn allereerste verdiende loon. Werk brengt genoeg geld in het laatje om er mee te kunnen strooien. Ik geef het weg aan ondernemers in mode- , toeristen-, en meubelindustrie en middenstanders als kapper en kroegbaas. Ik doe als alle mensen om mij heen. Zo verandert werken om te leven ongemerkt in leven om te werken.
 

In de jaren negentig is de term ‘overspannen’ vervangen door het hippere ‘burn-out’ en klim ik uit m’n eerste depressie. Elk nadeel heb z’n voordeel en een relatiebreuk met daar uit voortvloeiende gedwongen huisverkoop spekt m’n banksaldo zodanig dat ik mezelf kan gaan herontdekken in Australië. Zes maanden lang geniet ik van deze vrijheid. Als het niet gelogen was zou ik zeggen geld speelt geen rol, maar het is juist die zak met geld die maakt dat ik tijd kan besteden aan zaken die er toe doen: lachen, luieren, luisteren, voelen, vrijen, vrienden, gezellig, gezond, gelukkig.
 

De eerste jaren van de nieuwe eeuw staan in het teken van het vinden van een heilzame balans tussen tijd en geld. Werk en privé combineren we efficiënt in een leuke baan, met leuke collega’s en een leuke baas. Met z’n allen werken we ons het schompes, we consumeren ons een breuk en moeten tegelijkertijd sparen sparen sparen voor later want tegen de tijd dat wij met pensioen mogen is het gedaan met de welvaartsstaat. Het lijkt heel wat want we zijn allemaal druk druk druk. Hoe leuker de baan, hoe meer ik verdien, hoe minder ik me afvraag… hoe het mogelijk is dat ik me opnieuw midden in het land der depressieven bevind. Nu is geld ineens besmet. Grootverdieners nagelen we aan de schandpaal want het is crisis! Niet alleen ik maar heel de wereld zit in een dal. “Moedeeeer ik wil er af!” Drastische maatregelen zijn nodig: consuminderen is het devies. Geen nieuwe kleren/meubels/spullen, zoveel mogelijk hypotheekschuld aflossen en mijn dagen vullen met doen wat goed voelt. Dat lucht op.
 

Zó blij, zó blij… want de anderen dat zij wij. In gesprek met mensen op mijn pad valt me op hoezeer geld u en mij dwarszit. Die gesprekken lopen vaak langs dezelfde route: “Ja Anne, doen zoals jij dat wil ik ook wel. Als ik het voor het zeggen had zou ik het liefst (…) maar hoe kom ik dan aan geld?” Telkens is die geldvraag de eerste ‘maar’ die ik te horen krijg. Voor mij een instinker omdat ik geneigd ben het vraagteken te interpreteren als een verzoek om hulp bij het vinden van een antwoord. Het duurt dus even voor ik snap dat het de steller niet gaat om het verwezenlijken van de droom maar – tegengesteld daaraan – om het opwerpen van een barricade, een dubbelbluf barricade omdat de oplossing al is verstopt in de eerste helft van de zin “als ik het voor het zeggen had” en om de valkuil nog dieper te maken: een derde blufbarricade verscholen in “dat wil ik ook wel.” Avond aan avond denk ik behulpzaam te zijn door met de gesprekspartners op onderzoek te gaan naar antwoord en oplossing zodat zij werk kunnen maken van hun voornemens en nieuwe leven. Na weer zo’n avond vruchteloos discussiëren heb ik eindelijk de juiste vertaling te pakken: als ze zeggen “dat wil ik ook wel” bedoelen ze “op momenten dat de wasmachine stuk is, de kinderen door het huis schreeuwen, het eten aanbrandt, de rits van mijn lievelingsbroek niet meer dichtgaat en mijn man belt dat ‘ie nog even met collega’s gezellig gaat borrelen… ja op die momenten wil ik ook wel net als jij de hele dag een beetje buiten lopen met niets meer dan een rugzak zonder zorgen, maar op alle andere dagen ben ik best tevreden en hoef ik met niemand niet te ruilen.” De woorden “als ik het voor het zeggen had” staan voor angst en een zeker gebrek aan zelfvertrouwen “Ik durf niet voor mezelf te kiezen, daarom verschuil ik me achter tegenwerpingen zoals de kinderen zijn nog klein/in dit dorp accepteren ze dat nooit/daar heb ik geen diploma voor.” De zin “Maar hoe kom ik dan aan geld?” betekent niet anders dan “Ik wil veranderen maar ik wil er niets voor hoeven láten”. Zo bekeken blijft onze relatie met geld een moeizame. Oók als je er van af wilt.
 

Bij de start van dit zwerfafvalreisavontuur bedacht ik dat het vinden van (structurele) sponsors simpelweg zou lukken, dat de verkoop van m’n huis niet lang op zich zou laten wachten, dat het spaarvarken vet genoeg was; mijn uitgaven onderweg zouden minimaal zijn, logies en eten wordt immers in ruime mate gedoneerd. Van deze zaken zijn alleen de laatste uitgekomen, de pinpas komt gelukkig zelden tevoorschijn. Zo is het dat bij het opmaken van de balans ik tot ontdekking kom dat het spaarvarken een mager speenvarken is, dat het vinden van grote sponsors zo eenvoudig niet is, en dat de hypotheeklast ondanks extra aflossingen in onevenredige mate op het budget drukt. Door geld wil ik me niet laten weerhouden daarom besluit ik opnieuw tot een drastische maatregel: weg met het koophuis! Op het raam hangt een bord TE KOOP in de hoop dat ik iemand een plezier kan doen met een leuke eengezinswoning met tuintje in Den Haag. Eenmaal verlost van de grootste geldslurper is het mijn voornemen om mijn reisavontuur voort te zetten op basis van mini-mini-minimale kosten.
Zo kom ik tot de conclusie dat ik, in mijn wens om er zo veel mogelijk van los te komen, ook in deze fase opnieuw hoofdzakelijk bezig ben met geld. Het is waar wat ze zeggen: “Je geld of je leven!”